IK BEN FUCKING EINSTEIN NIET

Als hoogbegaafde krijg je te maken met vooroordelen. Stereotyperen. Stigma’s. Als ik kijk naar mijn eigen ervaringen varieerden deze vooroordelen van redelijk oké (“oh, maar je bent veel socialer dan andere hoogbegaafden!”) tot aardig onbeleefd (“maar je komt helemaal niet zo slim over?”). Het lastige aan vooroordelen is dat je je wellicht kunt verenigen met een deel ervan (he, de vooroordelen zijn vaak niet voor niets ontstaan), maar ook met een deel dus helemaal níét. En hoe ga je met dat deel om? Moet je je dan maar aanpassen, zodat je aan het beeld voldoet, of ga je juist bewijzen dat het ook anders kan?

Vermoeiend

Dat constante gevecht tussen wel of niet voldoen aan verwachtingen kan onwijs vermoeiend zijn. Als ik nu bijvoorbeeld weer een IQ-test zou moeten doen, scoor ik dan wel zoals er van mij verwacht wordt als hoogbegaafde? Wat als ik een keer tijdens een gesprek onjuistheden vertel; zullen mensen dan denken dat ik lieg over mijn hoogbegaafdheid? En moet ik mij dan maar wat minder sociaal opstellen, zodat ik overeenkom met wat mensen zouden verwachten bij een hoogbegaafde? Je gaat bijna aan jezelf twijfelen op sommige momenten en het lastige hierbij is dat hoogbegaafdheid maar deels meetbaar is. Heel hoog scoren op een IQ-test is zeker een belangrijke indicatie, maar we kennen ook veel onderpresteerders en onzekerheden waardoor dat niet altijd lukt. Bij hoogbegaafdheid telt vooral dat je je zélf zo voelt en je kunt verenigen met de algemene denkbeelden en kenmerken, maar dan doe je toch zelf ook juist aan stereotyperen? En dan hebben we ook nog te maken met de voorbeelden van zeer intelligente kinderen die dat bestaande stigma in stand houden.

Want wat zijn die vooroordelen dan?

In 2016 publiceerde Baudson hier een interessant artikel over, getiteld ‘The Mad Genius Stereotype: Still Alive and Well’. Zoals de titel al impliceert bestaat er inderdaad een algemeen stereotype voor ‘gifted people’ (red – hoogbegaafden). Zij beschrijft zelfs dat mensen bij hoogbegaafden niet eens meer denken aan een stereotype, maar eerder aan prototypes als Hermelien van Harry Potter (die overal goed in is), een Sherlock Holmes die intellectueel gezien briljant is en het beeld dat geschetst wordt in de film van Good Will Hunting (‘onbegrepen briljante rebellen’). Ook in (TV-)films en series zien we een bepaald prototype terug dat niet altijd even positief is; vaak de onpopulaire eenzame nerd die continu aan het studeren is en goede cijfers haalt.

Dit zien we ook wel een beetje terug in de bestaande literatuur, die zich vooral in twee lijnen uitzet: het deel waarbij vooral de nadruk ligt op het hoog potentieel maar ook het ontbreken daarbij van sociaal-emotionele ontwikkeling (Becker, 1978; Gallagher, 1990; Neihart, 1999) en het andere deel waarbij de verwachting is dat hoogbegaafden in alles uitblinken (Terman, 1925; Mönks, 1963; Persson, 1998).

Zelfperceptie

Het lastige aan deze vooroordelen is dat het leidt tot nadelige gevolgen: hoogbegaafde studenten bijvoorbeeld hebben bewezen dat zij hun potentie juist verbergen zodat ze niet geïdentificeerd worden met het bestaande stigma of dat juist het tegenovergestelde gebeurt; dat zij de karakteristieken compleet overnemen en extreem uitvergroten  (Coleman and Cross, 1988; Cross, 2005). Baudson beweert in haar artikel dan ook dat de negatieve stereotyperingen kunnen leiden tot het verborgen, onderontwikkeld en onbegrepen blijven van hoogbegaafden.

Kloppen de vooroordelen dan niet?

Nou ja, zoals eerder aangegeven zijn vooroordelen niet zomaar elementen die uit de lucht komen vallen. Volgens diverse empirisch onderbouwde studies die worden beschreven in het artikel van Baudson zijn hoogbegaafden inderdaad vaker superieur in hun intellectuele potentie, prestaties en bijbehorende karakteristieken (denk aan o.a. betere cijfers, meer open staan voor ervaringen, hoger academisch zelfvertrouwen, zich beter kunnen aanpassen). Echter gekeken naar de sociaal-emotionele karakteristieken zijn hoogbegaafden niet per definitie vaker depressief, angstig of suïcidaal.

Wat kunnen ‘we’ doen?

Uit het onderzoek van Baudson is gebleken, en haar onderzoek is dus nog ‘maar’ een jaar oud, dat twee derde van de door haar ondervraagden nog steeds een negatief beeld heeft over hoogbegaafden. Baudson roept dan ook op tot actie: volgens haar is er te weinig aandacht voor vooral hoogbegaafde studenten en krijgen zij door o.a. dit negatieve beeld niet de aandacht die zij verdienen. De verwachting is dat hoogbegaafden zichzelf wel kunnen redden en om die reden minder ‘recht’ hebben op hulp. Maar het tegendeel is juist waar; die hulp is juist vaak hard nodig! Het beeld moet dus veranderd worden, óók in de populaire media. Maar de meeste invloed hebben toch echt de hoogbegaafden zelf. Door uit te komen voor je hoogbegaafdheid en hier meer uitleg over te geven, zal het begrip groeien en daarmee het negatieve beeld hopelijk langzaamaan verdwijnen. Ook kunnen de verwachtingen dan hopelijk juist worden aangepast, zodat men niet direct ‘een Einstein’ verwacht wanneer je aangeeft hoogbegaafd te zijn. Want echt, wij kunnen ook niet alles (en willen dat vaak ook helemaal niet).

Bronnen:
Baudson T. (2016). The Mad Genius Stereotype: Still Alive and Well. Front Psychol 7: 368. Published online 2016 Mar 21. doi:  10.3389/fpsyg.2016.00368
Becker G. (1978). The Mad Genius Debate. Beverly Hills, CA: Sage.
Coleman L. J., Cross T. L. (1988). Is being gifted a social handicap? J. Educ. Gift. 11, 41–56. 10.1177/0162353214521486
Cross T. L. (2005). Nerds and geeks: society’s evolving stereotypes of our students with gifts and talentsGift. Child Today 28, 26–27, 65. 10.1177/107621750502800406
Gallagher J. J. (1990). Editorial: the public and professional perception of the social and emotional status of gifted childrenJ. Educ. Gift. 13, 202–211. 10.1177/016235329001300302
Neihart M. (1999). The importance of giftedness and psychological wellbeing: what does the empirical literature say? Roeper Rev. 22, 10–17. 10.1080/02783199909553991
Terman L. M. (1925). Genetic Studies of Genius. Stanford, CA: Stanford University Press.
Mönks F. J. (1963). Beiträge zur Begabtenforschung im Kindes- und Jugendalter [Contributions to the research on giftedness in childhood and adolescence]Arch. Gesamte Psychol. 115, 362–382.
Persson R. S. (1998). Paragons of virtue: teachers’ conceptual understanding of high ability in an egalitarian school systemHigh Abil. Stud. 9, 181–196. 10.1080/1359813980090204

 

Posted on